Over Joest van Estvelt (±1520-1578) gehuwd met Johanna Gijsberts Roelofs is bekend dat zij uit Eck in de Neder-Betuwe komen. In het gerichtssignaat van de Veluwe komt ook een Joest van Estvelt voor, zijn naam staat een aantal keer genoemd. Zou het om dezelfde persoon kunnen gaan?

Op 18 mei 1557 komt Joest van Estvelt met Gerijt Tengnagel zijn voorspreker naar het gerecht in Barneveld en spreekt Wulfer Heijnricksz en Gaert Lubbertsz aan over de smalle tienden, die hij als vanouds bij de mannen komt vorderen. De heren hebben nu geweigerd te betalen, waardoor Joest naar Barneveld komt en van beide mannen de tien gouden guldens wil ontvangen.

Joest van Estvelt mit Gerijt Tengnagel zijnen vurspr sprack aen mit recht Wulfer Heijnricxz und Gaert Lubbertsz und zeijt dat hij des smalen thienden van hem heeft geenscht mitten heer als hij van olts gewoentlick des heren thienden behoert te vorderen und soe sij hem des weijgeringe gedaen und nijet heeft …. crijgen des compt hij to stede en dan wol des van een ijder nijet lijden om thien golt g und den scade mit recht daer bij und heeft zij hierom doen baeden und aenensthen zij sullen comen bij desen sittenden gericht en nemen oeren dach op oir vurschr

Bij een andere rechtszitting in Barneveld staat hij ook genoemd als gerichtslude

Den halven thient vuijt idt erff und guet Estvelt toebehoeren eertijts Jan van Dompseler Evertsz des voorste Voncks vader altijts rustelick und vredelick gebruijckt heeft sonder besperonge van ijemants Actum tot Barnefelt vur Jacob Botter als volm des … sest und personen Willem van Scherpenzeel drost op Veluwe opt V en julij XVc LIX bij gerichtsluden Joest van Estvelt und Henrick van Gijnkel den Vonck Jansz voorn tuijcht soe vell meer dat nae heer Rutger voorn heer Jacob als .. opt voors al die wijle hij ..was oick des halven thient vuijt ijdt voorst erff estvelt vurstelick und vredelick gebruijckt heeft en hebben dat elcx it oiren eede bestedight

Dries Gerijtsz alt omt LXX jaeren mit recht gelandt ten versuche ba… voorn kerkmrs tuijcht woe dat hem getuijge weerdt omt XXXVI jaeren geleden, Jan Evertsz van Dompseler van heer Jacob Dennael vicaris op St Anna altaer voorn den halven thient groff und smael vuijt zijn goet tho Estvelt gepacht heeft und de voorn pachtinge heeft Jan van Dompseler tot zijnen huijse als weerdt meer dan eens gedaen (en heeft dat bestedigt mit sijne ede), actum ten dage und jaere vts vurden den volmechtigen des drost und bij gerl voorn

Geertgen Aries alt omt LX jaeren mit recht gebaet ten versucke als boven tuijcht woe dat tot haeren huijse als weerd und omt vijff jaeren geleden geseten hebben Everdt Jans op Estvelt Boij van Estvelt und meer anderen lagemoeten und dat ten selver mael die voorn Everdt van * Domplseler op Estvelt pacht vanden scholtis und kerkmr van Barnevelt den voorn halven thienden vuijt und everdt tho Estvelt und heeft dit mit oeren gebruicklichen ede bestedigt Act vur den volm des Drost voorn ten Dage und jaere bij gerichtsluden Joest van Estvelt und Vonck Jansz

* In kantlijn: Avermits hij kerkmeester indertijt was durch zijnen neeff Jan Voncken

Vanaf 1558 begint er ook een ingewikkeld heen-en-weer proces-aanspan-spel. De hoofdrolspelers zijn onze Joest van Estvelt, Vonck en Gerrit van Meden, Thonis Woltersz van Colverschoten, de heer Diederick van Bronckhorst-Batenburg heer tot Anholt en Baer en de edele en welgeboren vrouwe Petronella Praet douairière tot Batenburg.

Deze laatste twee personen kennen we ook uit een civiel proces met zijn nabestaanden (blog). Door de jaren heen zijn er dan diverse processen, waarbij het soms best onduidelijk is waar het precies over gaat en helaas ontbreken er ook enkele jaren uit de boeken, waardoor er ‘gaten’ zijn, maar dat er ‘iets’ tussen deze personen speelt is duidelijk.

In de eerste melding uit 1558 waarin betrokken personen genoemd worden, heeft Joest een rechterlijke inbeslagname ter executie geëist tegen de edele en welgeboren vrouwe Petronella Praet douairière tot Batenburg. Petronella laat meteen weten dat zij tot vandaag de dag geen betalingsachterstand heeft en dat zij er ook niet eerder op aangesproken is.

Een paar jaar later in 1563 worden Vonck van Meden, Diederick van Bronckhorst-Batenburg en Petronella Praet door Thonis Woltersz van Colverschoten aangesproken. Om zijn aanspraak kracht bij te zetten komt Thonis met twee getuigen, namelijk Joest van Estvelt en Roeloff van Estvelt. Wat zij precies verklaren is helaas onduidelijk. Aan het eind van de dag laat Diederick van Bronckhorst-Batenburg weten dat hij belooft aan Thonis Woltersz te betalen een bedrag van 400 Phillips gulden in vier termijnen over vier jaar, bij wanbetaling zal Reijner van Estvelt borg staan en de betalingen verrichten.

Je zou nu kunnen spreken over twee ‘kampen’. Het ene kamp met Thonis Woltersz van Colverschoten met Joest van Estvelt en het andere kamp Vonck van Meden met de edele dame en heer. En dan zijn er ook nog de personen Roelof en Reijner van Estvelt, die dezelfde achternaam hebben als onze Joest, familie? Maar de ene hoort bij het kamp van Thonis en de andere bij de edele heer en vrouw.

Drie jaar later belooft Gerrit van Meden aan Thonis Woltersz van Colverschoten 35 rijnse guldens wanneer de zaak tussen Diederick van Bronckhorst tot Batenburg en Joest van Estvelt over de smalle tienden tot Barneveld bewezen is. Diederick van Bronckhorst belooft daarbij ook de 35 rijnse gulden dan aan Gerrit te korten. Pure omkoping! Er heeft zich dus een wisseling van kamp voltrokken. Gerrit van Meden geeft geld aan Thonis Woltersz ‘als’ het proces van de edele heer tegen Joest van Estvelt bewezen is. De edele heer belooft dan ook nog eens Gerrit van Meden te korten op de jaarlijkse pacht betaling. Hierna wordt het proces een aantal maal uitgesteld.

Nog weer een paar jaar later in 1569 stelt Joest een machtiging op voor een aantal rechtspersonen om al zijn zaken in het gerecht tegen Gerrit van Meden waar te nemen en te winnen of verliezen. Gerrit doet hetzelfde. Een paar maanden later roept Joest opnieuw Gerrit van Meden op, om te verschijnen voor het zittende gerecht voor zichzelf en als voogd van de kinderen van zijn overleden broer en vanwege Vonck van Meden.

In 1570 roept hij opnieuw Gerrit op om te komen met bewijs van het ‘verzoek in de dode hand’. (Wanneer een horige overleden is en een nieuwe horige aantreed, dan ‘verzoekt hij het land in dode hand’. Het land in de dode hand kan dan niet door de eigenaars verkocht of weggeschonken worden en het kan ook niet door vererving op anderen overgaan). In de jaren die volgen wil de een na de ander antwoord en wederantwoord, bewijzen, kopieën en contrabewijzen.

In 1575 wordt het oordeel toebedeeld aan scholt Steven van Delen, die er nog weer een tijd over moet ‘nadenken’. In 1580 is er nog geen uitspraak en dan is het de weduwe van Joest die het proces verder voert.

Dije weduwe van zaliger Joest van Estvelt voir hoir selffs mede als moeder und sich sterckmaickende voir oeren onmondige kinderen van zaliger Joest van Estvelt mit Gerrit Tengnagel oer momber und voirspr vermaent het ordel tegens Gerrit van Meden offte den sijnen, bestaet aen Steven van Delen. Mit den bedings ingeval idt processe in vurgemelter saicken mit den ordelwijser vurschr gelevert en worde, offt tusschen dit und ten naesten gerichte gelevert en worde dat sich gemelte weduwe voir denselve processe costeloes und schaedeloes quijtgedingt wijl hebben.

De weduwe spoort scholt Steven van Delen aan voor haarzelf als moeder en voor haar kinderen om met een oordeel tegen Gerrit van Meden te komen, met de voorwaarde dat zij de proceskosten van het betreffende proces niet hoeft te betalen als het nog langer duurt. Nog weer drie jaar later laat zij tijdens een nieuwe rechtszitting weten dat zij opnieuw Steven van Delen aanspoort om een oordeel te geven. Na deze oproep staan er geen notities meer geschreven. Waarschijnlijk zullen we nooit te weten komen hoe het is afgelopen. Deze laatste notitie was in 1583, er is 20 jaar verstreken.

Er is natuurlijk nog geen 100% zekerheid dat het om dezelfde Joest van Estvelt gaat, maar toch zijn er een aantal opvallend heden.

  • Joest van Estvelt ‘compt into stede’. Deze opmerking is niet gewoon in rechterlijke notities. Mijns inziens betekent het dat hij van buiten Barneveld kwam en speciaal voor de aanspraak naar de stad kwam.
  • Joest van Estvelt is gerichtslude in een aantal processen die gaan over het horig goed Estvelt, op dat moment in bezit van Jans Evertsz van Dompseler.
  • In 1580 is het de weduwe van Joest die de procesvoering tegen Gerrit van Meden voert. Joest van Estvelt uit de Neder-Betuwe is in 1578 overleden (blog).
  • Er wordt in dit laatste proces gesproken over de smalle tienden in Barneveld. Nabestaanden van Joest uit de Neder-Betuwe voeren in 1615 ook een proces (blog) over smalle tienden in Barneveld.

Bronnen: Gerichtssignaat van Veluwe, nieuwe serie, 1484-1506, 1518-1573. Onder andere boeken 31, 32 en 33

Eén gedachte over “Joest van Estvelt op de Veluwe?”

  • Geachte redactie,
    Ik vind het bijzonder interessant wat over Estvelt wordt geschreven. Ik kom uit de tak Roelof Hertgers van Estvelt, zijnde een broer van Goert Hertgers van Estvelt. Goert Hertgers van Estvelt was getrouwd met Katharina Wtenweerde en hun 4e kind was Joost die in 1560 trouwde met Johanna Gijsbert Roelofs van Eck. Dit echtpaar had vier kinderen, Gijsbert, Geurtje, Agnes en Margriet. Met bovenstaande wordt m.i. de link die wordt gezocht tussen de Betuwe en de Veluwe van de Van Estvelden en Essevelden gelegd. Als dit interessant is voor contact, dan sta ik daar zeker voor open.

Laat een antwoord achter aan W.C.A. van Esveld Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *