Willem wordt tijdens de gouden eeuw geboren nabij het dorpje Elst in de over-Betuwe als de jongste van vier kinderen van Gijsbert van Essevelt en Dirrickje van der Wart. Wanneer hij 7 jaar is overlijdt zijn moeder. Drie jaar later is er plotseling grote armoede en hongersnood; ook wel bekend als het Nederlandse rampjaar in 1672. De winter is enorm koud, in de lente is er een grote overstroming en in mei staat Lodewijk XIV, de zonnekoning bij Lobith en laat zijn Franse troepen in de Neder-Betuwe op grote schaal plunderen, roven en huizen in brand steken alvorens de Rijn over te steken. Ellendige omstandigheden! Zijn vader Gijsbert is dan ook nog eens ‘elders’.

In die jaren overlijden ook veel andere ooms en tantes en in 1675 ook Willems opa. In de boedelverdeling staat beschreven hoe de te erven goederen verdeeld worden. De vier kleinkinderen waaronder Willem erven samen via hun vader Gijsbert 3 morgen bouwland in vrije eigendom op het Voorborgh in Ingen, waaraan de voorwaarde is verbonden dat deze te zijner tijd nog verdeeld moet worden met de kinderen van Anthonis de Rooij, een aangetrouwde oom. De eigen andere ooms en tantes erven de hofstedes en andere landerijen. Hierna volgen een paar rustige jaren. Willem is rond de 34 jaar en woonachtig in Ingen, wanneer hij trouwt met de drie jaar jongere Marijtje Bouman dochter van Cornelis Bouman en Fijtje van Triest uit Wijk bij Duurstede.

Iets meer dan negen maanden later wordt hun eerste dochter geboren, daarna volgen nog twee dochters en dan de eerste zoon. Het tweede en derde kind krijgen de namen Cornelia en Fijtje, zij zijn vernoemd naar de ouders van Marijtje Bouman. Dat het eerste en vierde kind dan de namen Aeltje en Gúert krijgen is zéér opvallend. Willem en Marijtje gebruikten niet de namen van Willems eigenlijke ouders; Gijsbert en Dirrickje. Ik acht het mogelijk dat Willem in de moeilijke jaren bij zijn oom Gúert en tante Aeltje in de leer gegaan. Hierdoor is het ook zeer mogelijk dat Willem een hechtere band had met zijn oom en tante dan met zijn eigen ouders.

In 1701 wordt door de klerk van de Lambertuskerk in Ingen een nieuwe ledenlijst opgemaakt, dit omdat er al een paar jaar geen pastoor meer is. Marijtje staat op deze lijst genoteerd als “de huisvrouw van Willem”. Vreemd genoeg wordt Willem zelf niet genoemd.

Vervolgens verdelen Willem en Marijtje in 1707 samen met zijn broer en zussen en de erfgename van oom Anthoni de Rooij de drie morgen bouwland op het Voorborgh te Ingen. Een klein jaar later verkopen zij hun overgebleven deel van 11 hond land voor 185 gulden aan hun buurman.

Na deze transactie is er geen spoor meer van dit gezin in Ingen. De kerkarchieven uit Ingen van 1716 tot 1767 zijn bij een brand vergaan, wat het onmogelijk maakt om met zekerheid vast te stellen hoe het dit gezin verder is gegaan. De enige notitie die nog een aanwijzing geeft is een nieuwe ledenlijst van de Lambertuskerk in Ingen uit 1732, hierin staat de naam Maria Bouman. Dit zou Marijtje kunnen zijn, het gekke is dat zij dan met haar eigen meisjesnaam genoteerd staat, zouden ze gescheiden zijn? Hierover is niets te vinden en voor haar naam staat obiit, dus is ze al voor dat jaar overleden. Opmerkelijk is ook dat de klerk op deze pagina’s überhaupt alleen vrouwelijke leden noteert en niet als ‘huijsvrouw van…’. Willem komt helemaal niet meer voor op deze ledenlijst, van hem ontbreekt elk verder spoor.

De kans is wel groot dat Willems zoon Gúert dus naar het westen is vertrokken en daar Baertje van den Bos ontmoette. Dochter Aeltje trouwde met Hendrick van Kouteren uit Tiel. Zij krijgen vier zoons waarvan de jongste; Guilliam van Kouteren zich meldt bij de VOC in Delft en daar met het Schip ‘Bloemendaal’ uitvaart naar Batavia. Een paar jaar later stapt hij te Rotterdam op de ‘Walenburg’ om opnieuw de reis te maken.

De oudere broer van Willem; Gijsbert wordt brouwer en herbergier in Amerongen en doet ook zaken in Rotterdam. Neef Joost, duikt op in Delft. Neef Merten vertrekt naar de Prinsengracht in Amsterdam. Neef Alart trouwt in ‘s-Gravenhage en nicht Maria trouwt in Rotterdam. Ook hieruit blijkt weer dat de Ingense Essevelts zich in deze jaren meer naar het westen verspreiden.