Ten oosten van Barneveld lag het buurtschap Estvelt, welke ooit als een halve maan om ’t Schaffelaarsebos heen lag. De Estvelderbeek kabbelde er ten Noorden langsheen. In het landschap stonden dikke eiken- en kastanjebomen en er groeide heide. Hiertussen stonden een paar lemen boerderijen met rieten daken en eromheen waren een aantal zaaivelden en verder vooral veel woeste grond.
De naam Estvelt komt voor het eerst voor in 1325. Wanneer het precies een leengoed wordt, is niet helemaal duidelijk. Vele generaties Estvelts bewoonden vervolgens het leengoed Estvelt, waarna het in de loop der jaren opgesplitst werd in verschillende leendelen en door verkoop of huwelijk kwam het in andere handen.
Het buurtschap Estvelt was in die tijd onderdeel van het Graafschap Gelre. In de 14e eeuw beleeft Gelre een gouden eeuw door de rijke handel tussen de Hanzesteden. In 1339 werd Gelre tot Hertogdom verheven. Gelre was verdeeld in vier kwartieren. In het kwartier Veluwe waren Arnhem, Harderwijk, Wageningen, Hattem en Elburg de voornaamste steden. Eerst Gherderen en later Barneveld waren de dichtstbijzijnde dorpen bij het Estvelt met een marktfunctie.
De oudste notitie

De naam komt voor het eerst voor geschreven als ‘van Estvelde’ op en rol met schattingen van de Veluwe uit ca. 1325. Op deze schattinglijst staan bedragen van de betaalde bede door “lieden” op de Veluwe onderverdeeld per regio. Deze bede was een belasting die oorspronkelijk bedoeld was om uitgaven van de Vorst te financieren. De bede werd in de herfst en lente betaald. Daarom wordt er ook wel gesproken over herfst- en lentebede. Boeren betaalden de bede voor de grond die zij gebruikten.
De rol bevat namen van zo’n 145 andere personen en boerderijen alleen al in Garderen. Soms aangeduid met naam van een persoon en soms met de naam van een boerderij. Het hoogste bedrag dat wordt betaald is 30 Libra en een enkele bewoner betaald niets, achter zijn naam is ‘arm’ geschreven. In verhouding is de waarde van 1 Libra hetzelfde als twee dagen werk wat een gewone werkman in die tijd verdiende.
In deze lange lijst staan Wuse en Vrancke van Estvelde genoemd:
In Gherderen cloeft, onder Neuden van den Biesen
– item Wuse van Estvelde I libra
– item Vrancke van Estvelde con sin sone VII libra
Andere namen die op deze lijst voorkomen zijn onder andere; Corler, Westevelde, Biler, Scafler, Horseler, Ghelkehorst en Malckenhorst.
Bron: GA – 0001 Graven en Hertogen van Gelre – 4046
Reinoud I was graaf van Gelre die er financieel niet heel goed voorstond. Daarnaast was hij door een klap op zijn hoofd waanzinnig geworden. Hierdoor kwamen zijn vrouw en kinderen tegen hem in verzet. Zover zelfs dat Reinoud I door zijn zoon Reinoud II wegens zinneloosheid in 1320 gevangen werd gezet. Zes jaar later overleed hij waarna Reinoud II zichzelf tot graag van Gelre uitriep.
Graaf Reinoud II was getrouwd met Sophia Berthout, maar na haar overlijden huwde hij in 1331 met Eleonora van Engeland, met wie hij twee zoons kreeg, waarvan de oudste de beoogde troonopvolger werd. In 1339 werd Reinoud II tot Hertog van Gelre en Graaf van Zutphen verheven. Eleonora werd door haar man verbannen wegens vermeende melaatsheid. Ze toonde het tegendeel aan door zich op een dag voor de Hertog van haar jurk te ontdoen.
Na zijn overlijden brak in 1350 de Gelderse Broederstrijd uit tussen zijn zonen Reinoud III en Eduard. De broers zochten steun bij respectievelijk de Heeckerens en de Bronckhorsten. Een jarenlange strijd volgde.
Het leengoed Estvelt
De Gelderse Broederenstrijd tussen Reinoud III (met de van Heeckerens) en Eduard (met de Bronckhorsten) eindigde na het overlijden van beide broers in 1371. Doordat de broers geen wettelijke erfgenamen hadden ontstond er een nieuwe strijd tussen hun twee halfzussen Maria (met de Brockhorsten) en Mechteld (met de van Heeckerens), die Maria uiteindelijk won in 1379. Hierdoor kwam haar zoon als Willem I van Gelre aan de macht.
In deze tijd wordt het goed Estvelt tot Zutphens leen verheven, waarna het tussen 1380 en 1405 beleend wordt aan Brant van Delen en Pelgerim van Borensteden. Vanaf 1405 volgt weer een van Estvelt. Het valt uit de notities in het leenboek niet op te maken of er een familiaire band is.

’t Goet tot Estvelt met sijnen tobehoren, gelegen in den kerspel van Barnevelde, tot Zutphensch leene, welck was
- 1080 Everts van Estvelt beleent
- 1380 Brant van Delen
- 1030 Pelgerim van Borensteden erft op zijn zoon*
- 1405 Evert van Estvelt
- 1405 Pelgrim Evertssoon, onmondig, beleent.
- Pelgrim Pelgrimssoon is hulder.
- Hij doet dezelfde eed in 1413 en 1424.
- 1453 Evert Pelgrimssoon1 van Estvelt beleent.
- Hij tuchtigt zijn vrouw Gertrud Ryckaltsdr aan 12 oude schillingen jaarlijks.
- Hij geeft zijn broer Gode de tienden, grof ende smal, voor 80 rijnse gulden.
- In 1455 tuchtigt hij zijn vrouw Mechtelt Everwijns dochter aan 10 oude franse schillingen jaarlijks. Als hij bij haar kinderen krijgt dan krijgt zijn oudste kind van zijn eerste vrouw de ene helft en het oudste kind de andere helft.
- Hij vernieuwt zijn eed in 1465 en op 6 oktober 1473.
- Hij vernieuwt nog een keer de eed op 4 September 1481
Opsplitsing en herstel
- 1492 Evert van Estvelt erft van zijn vader Everts en ontvangt de helft van het goed Estvelt met alle toebehoren.
- 1492 Hertger van Estvelt ontvangt de andere helft door Mechtelt Everwijnsdochter haar tucht aan 10 franse schillingen uit het hele goed.
- 1514 Pelgrim van Estvelt erft van zijn broer Hertger.
- Hij krijgt op 6 juni 1521 net als als zijn broer Evert 3 maanden uitstel.
- In 1523 wordt hij ook beleend met zijn broer Everts helft en tuchtigt zijn vrouw Johanna aan 13 molder roggen jaarlijks.
- 3 Sept. 1524 Evert van Estvelt erft van zijn vader Pelgrim en ontvangt het hele goed Estvelt met alle toebehoren.
- Hij vernieuwt zijn eed op 27 september 1538, 13 juli 1544 en 6 mei 1556.
- 18 juli 1567 – Elsbet van Esfelt huisvrouw van Henrick Ketels, erft van haar vader Evert, beleent.

Schematische weergave van de verdeling van het goed Estvelt, waarbij een mogelijkheid is dat Gode dezelfde persoon is als Goerdt.
Op 2 november 1571 verkoopt Elsbet haar Zutphens leen aan Gerrit Gerritssoon. Een ander deel van het goed Estvelt wordt al in 1537 geërfd door Aernt van Dompseler zoon van Elisabeth van Estvelt en Johan van Dompseler die het met zijn zwager Hartger van Estvelt in een magescheid verdeelde.
