Op 19 oktober 1587 ontvangt Johanna (Janna) Gijsberts Roelofs een rentebrief ter waarde van 50 gulden van Anthonis Lubberts. Dit wordt in het rechtboek opgetekend. Deze rentebrief is een van de aanknopingspunt tussen de Betuwse en de Veluwse van Estvelts.
Een koude herfststorm giert door Rhenen. Binnen in de raadszaal zitten de tijdelijke schout Peter Vastrick en schepenen Gerrit Vastrick en Johan Keijser die de wekelijkse zaken afhandelen. Vanachter de grote houten tafel zien ze Willem Thonisz uit Amersfoort een gezegelde brief neerleggen. “Ik kom met deze rentebrief van Anthonis Lubberts voor Janna de weduwe van Joost van Estvelt!”
In allerijl wordt Janna gehaald, die zich herinnert dat zij en haar overleden man Joost jaren geleden aan Anthonis Lubberts en zijn vrouw Belia van Domselaar geld geleend hebben. Nu 10 jaar later wordt aan hen de schuld terugbetaald.
De schout en schepenen verklaren met het overhandigen van de rentebrief dat Willem Thonis afstand doet en nu bevrijd is van de schulden en dat weduwe Janna en haar erfgenamen nu voor het aanzicht van gerecht betaald zijn.
Gebaseerd op onderstaande akte:
Actum voir Peter Vastrick, substituijt-schoudt, Gerrit Vastrick ende Johan de Keijser, schepenen tot Rhenen, den 19e octobris anno 1587
Compareerden Willem Thonisz van Amersfoert, vendrech, ende heeft opgedragen, overgegeven ende te goede geschouden Janna Gijsbertsdochter, weduwe van zaliger Joost van Esfelt, ende hoiren erffgenamen, een renthebrieff inhoudende d’hooftsomme van vijftich Karolus guldens, hierdeur getransfixeert. Beginnende: Wij Joost van Esfelt ende Janna Gijsbertsdochter, echte huijsfrouw Joost voerscreven ende eijndende: In oircondt der rechter waerheijt, soo hebben wij echteluijden voirgenoemt voor ons ende onsen erven elcx ons eijgen zegel beneden aen deesen openen brieff gehangen. Actum op den 5e martij anno 1577. Dwelck hij comparant vercregen heeft van Anthonis Lubbertsz weesende die man van zaliger Belia Cornelis van Domzelair dochter. Deesen voorschreven renthebrieff word hij comparant quijt ende weerloes met opdracht ende vesticht alzoo dat schepenen kenden ende wesen voir recht dat zij daer niet meer aen en hadden noch en behielden met recht ende dat ’t d’voirnoemde weduwe ende hoiren erffgenamen vast ende stede es, weesen ende blijven zall met recht. Van welcke voorschreven hooftsomme ende verlopen renthen vandien hij comparant bedanckt ende van den voirnoemden weduwe ten vollen vernuecht ende betaelt te zijn.

Bron: RAZU 066 Stadsgerecht Rhenen 395
Er wordt in de rentebrief verwezen naar een getransfixeerde akte. Dat betekent dat het origineel van 5 maart 1577 aan de akte van 19 maart 1587 er aan heeft vast gezeten. Helaas is deze originele akte verdwenen.
Ondertussen wordt met deze rentebrief de relatie gelegd tussen Joost en Janna van Estvelt uit de Betuwe en Belia Cornelisdochter van Domselaar uit de Veluwe. Maar hierover later meer.
