In 1615 voert de graaf van Benthem een proces tegen de erfgenamen van Joost (blog). In dat proces moeten de Estvelt aantonen dat hun pacht al jaren bestaat. Zij komen met twee bewijsstukken; een oude pachtbrief uit 1505 en een brief van Karel hertog van Gelre aan Hartger uit 1528.

Jacob van Bronkhorst heer van Batenburg en Anholt verklaart met deze brief dat hij verpacht heeft aan Hartger Goertsen van Estvelt de smalle tienden in Barneveld en de rai tienden te Putten voor 12 jaar lang. Voor 28 gulden en 30 woecheijen per gulden. Op deze pacht heeft Hartger hem 196 gulden betaling gegeven. Het teveel betaalde geld hebben zij geschonken aan de nabestaanden van Willem Albers en Katharina zijn moeder. Na 12 jaar zal Jacob de 196 gulden aan Hartger terugbetalen. Anno 24 augustus 1505
NB: In 1505 werd Jacob van Bronkhorst de stadhouder van Gelderland namens Philips de Schone en kreeg hij grote onmin met Hertog Karel van Gelre.
Wij Jacob van Bronckhorst heere tot Batenborch ende to Anholt doen kondt und bekenne mit dessen mymo tegenwoordighen brieve, voor onse und onsses naecoemelinghen, dat wij mit onssen vrijen moet wille vuijtgegeven ende verpacht hebben Hartger Goertsen van Estvelt en sijnen erven, des alinghe smaelen thijndt inden Ampte van Barnevelt ind den raeden thiendt inden Ampte van putten mit allen soen toebehoeren twelff jaeren lanck gedueren, aengaande op dato des … voor acht en twintich golden gulden, deertigh woeckeijt voor den gulden, oft die echte weerde dair voor toe betaelen die eene helfft op Sinte Martins dach inden winter nuw nagt noemende, inde die anderhelleft op Sinte Peters dach ad Cathedram daer na naestcoemende oft volgende, ind soe voirt alle jaeren twelff jaeren lanck opten selven termijn vurschr. gelijck sich dat geboirt oft binnen vuertijen daegen daer nae ellicken termijn vurschr. onbegrepen Op wellicke pacht mij die voorgenoembde Hertger gedaen heeft hondert golden gulden ind ses entnegentich paijmentz voorschr. van wellicke somme Haertger vurschr. aen hem selven in behalden ind kortten sall viertijen gulden paijmentz vurschr: ind dat averschoet hebben wij beweessen aen zalligher Willem van Aelbers kijnderen toe betaelen ind joffer Katharina haer moeder, want wij vuijt onssen Renthen schuldich sijnen, nae inhalt haere segell und brieven, und tendien den twelleff jaeren sullen wij Hertger vurschr. die vurschreven hondert und ses end t’negentich gulden aling ind alle wedergeven und betaelen, und oft des nijet en gescheijden soe holde soe die selve Hartger vurschr. inde pachtinghe blijven sitten the tijdt toe ind alsoe langst kijndt wij hem die hondert ind ses en t’negentich gulden vurschr. Waell verwight ind betaelt hebben ende tot wat thijden dat wij desse vurschr. thijenden wederom aen onsen handen loessen und vrijen willen. soe sullen wij den vurschr. Hartger een halff jaer te waeren op schrijven als men hem sijn voorgenoembde hoiftsomme geven ind betaelen will. Ende wij Jacob van Bronckhorst, heere tot Batenborgh ind t Aenholt vurschr. geloven voor ons ind onssen naecommelinghen die vurschr. pacht iaen Hertger vurschr. t’ haelden toe volldoen und nae toe gaen in alre maeten als vurschr. steet, Allet dit vurschr. sonder argelist des ther oirconde der waerheijts soe hebben wij Jacob van Bronckhorst heere tot Batenborch ind t Anholt vurschr. onses segell beneden op … des VX doen ind heiten drucken. Gegevens tot Arnhem indt jaer ons heeren duijsent vijff hondert ind vijff op Sinte Bartholomeus avondts des heijligen apostell onderstondt
Het tweede bewijsstuk is een brief uit 1528 is van hertog Karel van Gelre aan Hartger van Estvelt. Hertog Karel bepaald dat de pacht voortgezet moet worden totdat de 196 gulden door Jacob van Bronkhorst is terugbetaald. Mogelijk heeft het feit dat in deze jaren hertog Karel van Gelre tegen de Spanjaarden vocht en Jacob van Bronkhorst in dienst van de Spanjaarden was hiermee te maken.
Wij stadtholder Rade und frunde des doorluchtigen hoichgeboerenen vermoegendes fursten und heren heern Cairlls Hertoigen vann Gelre ind van Guijlick, ind Graven vann Zutphen, ons Guedlieven heeren, in sijnes G. affwesen tot saicken zijnen guad gestalt doen kondt Alsoee Hertger van Estvelt nu bij onss kennende is und heeft ons gepresentieert een supplicatie ind eenen pacht brieft, daer inne die jonck. van Batenborgh hem ind zijnen erven verpacht heeft, twelff jaerlanck des alinghen smaelen thijenden inden Ampte van Barnevelt, ind den raeden thijenden inden Ampte van Putten, daer hem indracht inne geschiet, als wij verstaan, sonder eenigh maniere van rechtens begeren wij haer tot sijn gerechticheijt nae vermoegen zijnen pachtbrief helpen willen hebben wij denselve pachtbrieff doorsijen, ind bevinden, dat hun sulcx twelff jaer stedich verpacht is, voor een somme als den brief vermach bevijnden oick dat die selve Hertger, om dien saecken will, ainden jonck. van Batenborch, vuijten zijnen buedell verschaeten heeft, aen gereede penninge, hondert ind ses in t negentich golden gulden mit sulcke vuerwaerden, datmen Hertger tijdens den twelff jaeren vurschr. dieselve pennongen wederom aluick ind geheell geven ind betaelen sall jund oft. der alsoe alsdan nijet en gescheijden sall hij indie pachting blijvens sitten, ter tijdt, toe gaen die pennongen geheell ind all betaelt sijn, allet nae vermoegen der pacht brieff …… Wij dan daerom versocht worden om geen tot zijn gerechtichheit te helpen. und wij geen oirsaecke en bewijnde, waerom haer sulx afhendich gemaeckt mucht werden, Sijn wij gesemptlich overdraegen dat dieselve Hartger, vanden drost van Veluwen nu ter tijdt wesende Gerit van Scherpenzeell genoempt palick, van Stonden aen in gebruick der selven theijnden gesath sall werden, ind die geene sulcx gebruickt, sonder vertoonk vernaeden sall werden, sijne handt oft to trecken ind t’ selve toe betaelen hij vant voorleden jaer, dair van pachtz halven schulinck ind plichtich is ten tijdt toe horen voldaen is, nae vermoegen sijnen segelen ind brieven oft day hun ijemandt anders met eenen leveren. Rechten daer vuijth gewonnen sall hebben, sonder Argelist der toe oirconde hebben wij gesamentlijck id Secreet ons Guad. und lieven heeren hierop doen drucken Avondts Natiunitatis marie. Anno 28 XVc Ende was een segell in rooden wassche beneden opgedruckt

Met deze twee bewijsstukken maakt het de vraag ‘hoe zijn Hartger Goerts en Joest van Estvelt gerelateerd aan elkaar? Dat zij familie zijn moet haast wel. Ze hebben dezelfde patroniem en zijn beide een kind van een Goert van Estvelt, dus lijkt het er op dat zij broers waren. Alleen Joest is pas rond 1520 geboren en Hartger kreeg de pacht al in 1505. Hij moet dan minstens 23 jaar oud zijn en dat betekent minimaal een leeftijdsverschil van 44 jaar. Dat is wel heel veel!
Waarschijnlijker is het dat Hartger zijn opa, oom of achteroom was. In volgende blogs hierover meer!
