In 1615 speelt een ontzettend interessante proces. Gijsbert van Estvelt (1560-1611) is dan al overleden, dus zijn zwager, neefje en twee oudste zoons worden als nabestaanden van hun ook reeds overleden opa Joest van Estvelt gedaagd. Dit civiele proces bestaat uit 45 pagina’s, waarin heel veel interessante informatie staat, teveel om allemaal hier op te nemen. Hieronder een samenvatting

Graaf Arnolt van Benthem ruziet al sinds 1609 met andere erfgenamen over het eigendom van Batenburghse pandgoederen op de Veluwe. Enerzijds door erfopvolging (hij stamt af van de graaf van Batenborgh van Bronckhorst) verkregen, anderzijds in handen gekregen of verloren door het wel of niet aansluiten bij de Spanjaarden. De graaf van Benthem vindt ook dat hij te weinig pachtgeld ontvangt en stuurt al zijn pachters een brief met de mededeling dat het pachtgeld verhoogt is en dat hij het volledige geld komt innen. De pachters zijn het hier natuurlijk niet mee eens en blijven de eerder afgesproken pachtgelden betalen, maar weigeren ook de daarop door hem geëiste opzegging van de pacht.

Zoons Willem en Joost (de jonge) van Estvelt, zwager Roelof van Darthuijsen en neefje Goossen Verhuet (gerechtsman) worden nu opgeroepen om in juni 1615 voor het Adellijk gericht tijdens de zitting in Barneveld, te komen verschijnen. Ze zullen met een verweer moeten komen en bewijs moeten laten zien waarom wel of niet voldaan is aan de pachtvoorwaarden. In hun verweer spreken de erfgenamen van Gijsbert over de ‘notoire ongefundeertheid’ van de graafs aanklacht. Het is de graaf toch zeker wel bekend dat zij al sinds 1505 een achterpandschap hebben! Ze ontkennen ferm dat de 196 gouden guldens af te lossen zouden zijn met 24 stuivers en vinden dat de graaf zich beroept op een oude kopie. Het is namelijk 37 woecheijen voor iedere gouden gulden! Ook zijn ze van mening dat de graaf maar voor de helft eigenaar is van de landen, dus ook maar de helft van pacht mag ontvangen. Ze noemen de aanklacht van de graaf frivool en tegenstrijdig met het recht van de tienden en verzoeken het hof met klem en met inachtneming van het recht om een afwijzing.

Op zijn beurt houdt de graaf een relaas over de waarde van gouden guldens in vergelijking met Hoornse en Brabantse guldens en hij is van mening dat woecheijen dezelfde waarde hebben. Ook noemt hij de Estvelts ‘mala fide’ omdat zij de penningen voor het opzeggen van de pacht niet wilden aannemen.

Een getuige (blog) vertelt vervolgens dat hij heeft gezien dat ene Anthonis Claesz, de rentmeester van de graaf, bij het huis van de Estvelts kwam om de penningen voor het opzeggen van de pacht te geven, maar dat Roelofs vrouw Agnes deze weigerde en riep: „Wij zijn gantsz niet van meijninghe eenige penningen voor de theijnden te onfangen!” Vervolgens verklaart de getuige dat hij toen heeft gezien hoe “Anthonis een tafelken nedersloech ende dat hij dat geldt daarover heeft uitgeschoeten”.

De volgende getuige, die zeer bekwaam wordt genoemd en 67 jaar is, verklaart dat vijftig jaar geleden op de Veluwe de toen gangbare stuivers “woecheijen” heetten en dat deze betaald werden met 18 Hoornse guldens en dat een gouden Rijnsche gulden betaald werd met 36 stuivers en dat die niet meer waard waren dan de Gelderse Woecheijen. Verder verklaart hij dat toen Philips Koning van Castilië hier in het land gekomen was, de guldens niet gebruikelijk waren.

De graaf tiert verder en vindt dat woecheijen en guldens, Hoornse of niet, allen synoniem zijn voor Gelderse guldens en dat die dezelfde waarde hebben en dat ook al in de jaren 1500, 1520 en 1550 zo was! Daarnaast vindt hij het belachelijk dat de Estvelts de penningen voor het opzeggen van de pacht weigeren, want hij heeft voldaan aan de opzegtermijn van een half jaar! Hij eist dat de Estvelts het land verlaten en dat zij de kosten van het proces en de schade betalen.

De Estvelts die zeggen dat ze al meer dan 100 jaar het betreffende stuk land pachten zullen met bewijsstukken (blog) moeten komen. Ze kunnen de originele pachtbrief uit 1505 overleggen en een brief van de Stadhouder aan Karel hertog van Gelre over de pacht uit 1528, maar helaas geen recentere pachtbrief gericht aan de huidige Estvelts, want al hun belangrijke papieren zijn in 1578 verloren gegaan tijdens schermutselingen.

De klerk van het Adellijk Hof te Barneveld kopieert de teksten van alle bronnen in zijn dossier en hierdoor zijn al deze teksten vandaag de dag nog beschikbaar. Een jaar later in juni 1616 volgt de uitspraak: De rechtbank acht „Dat den aanlegger een goede inleijdinge gedaen is ende den verweerders een quade uitleijdinge”. Met andere woorden; het Hof stelt de graaf in zijn gelijk en de Estvelts moeten de gepachte landen verlaten en de kosten aan de graaf compenseren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *